Themarapportage Doorstroomtoets 2025
Themarapportage
Een analyse van de advisering in groep 8 en de rol van de doorstroomtoets
In 2024-2025 namen scholen voor de tweede keer de doorstroomtoets af sinds de invoering van de wet doorstroomtoetsen po. De combinatie van school- en toetsadvies moet leerlingen een passend advies voor het vervolgonderwijs geven. Na de eerste afname van de doorstroomtoets in 2023-2024 bleek onder andere dat leerlingen vaker een meervoudig schooladvies krijgen. Sinds de invoering zijn scholen in principe verplicht het advies naar boven bij te stellen als de toets daartoe aanleiding geeft — tenzij dit niet in het belang van de leerling is. Dit moet bijdragen aan meer kansengelijkheid.
Toch klinken er steeds meer kritische geluiden. Leden van de PO-Raad maken zich zorgen over de resultaten, en ook onze eigen analyses roepen vragen op. De keuze voor een toetsaanbieder door de school heeft invloed op het toetsadvies dat de leerling ontvangt. De doorstroomtoets is onderwerp van gesprek binnen de samenleving én binnen onze vereniging.
De PO-Raad volgt de ontwikkelingen op de voet en heeft opnieuw een analyse gemaakt van de resultaten van de doorstroomtoets 2024-2025. In deze rapportage blikken we terug op de ontwikkeling van de advisering voor het vervolgonderwijs van de afgelopen vijf jaar. Wat betekent deze ontwikkeling van de advisering voor de kansengelijkheid van leerlingen, de betrouwbaarheid van de doorstroomtoets en welk effect heeft het op het definitieve schooladvies?
Kengetallen doorstroomtoets 2024-2025:
- In schooljaar 2024-2025 maakten 170.000 groep 8-leerlingen, op 6.315 schoolvestigingen de doorstroomtoets.
- Er zijn 6 verschillende toetsaanbieders.
- De meeste leerlingen (88%) in het regulier basisonderwijs maakten de Leerling in Beeld-toets (LIB) of IEP-toets.
- In het speciaal basisonderwijs maken de meeste leerlingen (54%) de ROUTE 8-toets.
Toename meervoudige schooladviezen en verschuiving in toetsadviezen
Stijging aantal meervoudige schooladviezen zet door
Sinds schooljaar 2023-2024 krijgen leerlingen in groep 8, in januari, een voorlopig schooladvies voor het voortgezet onderwijs (vo). Scholen baseren dit advies op gegevens die ze over meerdere jaren van de leerling hebben verzameld. Steeds vaker geven scholen een meervoudig schooladvies.
Voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs (sbo) werkt de advisering voor het vo soms anders. Voor het schooladvies wordt, net als bij het regulier basisonderwijs (bo), gekeken naar de ontwikkeling van de leerling over meerdere jaren. Leerlingen hoeven echter geen doorstroomtoets te maken als zij een vrijstelling hebben. Het advies voor het vo is dan gebaseerd op het schooladvies en eventueel aanvullend onderzoek. Zij krijgen vaker advies voor speciaal onderwijs of praktijkonderwijs.
Zowel in het regulier als in het speciaal basisonderwijs stijgt in 2024-2025 het aantal meervoudige schooladviezen. Dit betekent dat scholen meerdere onderwijsrichtingen voorstellen die bij de leerling passen. Zo krijgt een kind meer ruimte om zich te ontwikkelen en meer keuzevrijheid bij het kiezen van een passende onderwijsrichting. Dit kan bijdragen aan meer kansengelijkheid als de leerlingen echt bredere instroommogelijkheden hebben.
Meer vmbo-kader/gt en minder vwo toetsadviezen
Naast het schooladvies maken de meeste leerlingen in groep 8 de doorstroomtoets. Daar volgt een toetsadvies uit. Dit toetsadvies is een tweede, objectieve indicatie. Als het toetsadvies hoger is dan het schooladvies, moet de school het advies herzien, tenzij de school goed kan onderbouwen waarom zij dat niet doen. Is het toetsadvies lager, dan hoeft de school het advies niet te veranderen. Leerlingen met een ontheffing hoeven de toets niet te maken, maar het mag wel.
Basisonderwijs
Uit cijfers blijkt dat tussen de schooljaren 2020-2021 en 2024-2025:
Het aantal toetsadviezen voor vmbo-kader/gt stijgt (van 21% naar 23%).
Het aantal toetsadviezen voor vmbo-gt-havo stijgt (van 26% naar 30%).
Het aantal toetsadviezen voor vwo-adviezen daalt (van 19% naar 11%).
Het toenemen van de toetsadviezen voor vmbo-kader/gt en de afname van de vwo-toetsadviezen kan erop wijzen dat het de toets steeds minder goed lukt om leerlingen op basis van de prestaties in te delen op een schoolniveau. De toetsadviezen in het regulier basisonderwijs verschuiven de afgelopen vijf jaar naar het midden.
Speciaal basisonderwijs
Ook in het sbo is een verschuiving zichtbaar.
Uit cijfers blijkt dat tussen de schooljaren 2020-2021 en 2024-2025:
Het aantal leerlingen dat geen toets maakt daalt (van 23% naar 17%).
Het aantal toetsadviezen pro-vmbo-basis daalt (van 41% naar 30%).
Het aantal toetsadviezen vmbo-basis/kader stijgt (26% naar 42%).
De leerlingen die geen toets maken, hebben meestal een schooladvies voor praktijkonderwijs (PrO). Dit advies geeft de school na een zorgvuldig proces, samen met de ouders en de leerling. Vaak vallen leerlingen die geen toets maken onder de ontheffingsgronden.
Meer maatwerk bij heroverweging en bijstelling schooladvies
Sinds schooljaar 2023-2024 zijn basisscholen in principe verplicht om het schooladvies niet alleen te heroverwegen, maar ook bij te stellen als de toets daar aanleiding toe geeft. In de praktijk gebeurt dit niet altijd: scholen mogen, mits goed onderbouwd, afwijken van de regel wanneer dit in het belang van de leerling is.
Het aantal leerlingen dat in aanmerking komt voor heroverweging, daalt: van 36% in 2020-2021 naar 28% in 2024-2025. Dat komt mede doordat scholen vaker een meervoudig advies geven, dat overeenkomt met het toetsadvies. Ook het afnemende aantal enkelvoudige vwo-toetsadviezen speelt een rol.
Na een piek in 2023-2024, waarin 27% van de adviezen werd bijgesteld, daalt dit percentage in 2024-2025 naar 22%. Bijstellingen vinden vooral plaats wanneer het toetsadvies hoger is dan het schooladvies. Uitzondering is vwo, dat niet verder kan worden bijgesteld. Het gaat bij deze cijfers om het regulier basisonderwijs.
Scholen lijken dit jaar bewuster te overwegen of bijstelling nodig is en of dit in het belang van de leerling is.
Daarnaast is er door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap duidelijker gecommuniceerd over de mogelijkheid voor scholen om, goed onderbouwd, af te wijken van de bijstellingsplicht.
Ook als het toetsadvies niet hoger is dan het schooladvies, stellen scholen het advies soms alsnog bij. Daarbij baseren scholen de beslissing ook op andere factoren, zoals een verbeterde leerhouding of stijgende leerresultaten. Dit gebeurt vooral bij vmbo-kader/gt-adviezen.
Verder blijkt dat:
Ruim 80% van de leerlingen met een vmbo-basis schooladvies een hoger toetsadvies krijgt. In ruim de helft van deze gevallen wordt dat schooladvies vmbo-basis ook daadwerkelijk bijgesteld.
Ook leerlingen met een enkelvoudig schooladvies voor vmbo-kader, vmbo-gt en havo relatief vaak een hoger toetsadvies kregen. Enkelvoudige adviezen worden dan ook vaker bijgesteld dan meervoudige adviezen.
Na eventuele bijstelling volgt het definitieve schooladvies. Sinds de invoering van de doorstroomtoets is er een duidelijke verschuiving van enkelvoudige naar meervoudige definitieve adviezen, vaak naar het naastliggende hogere niveau: van vmbo-kader naar vmbo-kader/gt, van vmbo-gt naar vmbo-gt/havo, en van havo naar havo/vwo. De verdeling van definitieve adviezen is dit jaar vergelijkbaar met 2023-2024. Wel zien we dat het aantal definitieve adviezen voor vmbo-basis, vmbo-basis/kader en vmbo-kader in het regulier basisonderwijs lager ligt dan in de tijd van de eindtoets. De aantallen voor praktijkonderwijs (PrO) en vwo blijven stabiel.
Speciaal basisonderwijs
Uit de cijfers blijkt dat tussen de schooljaren 2022-2023 (waarin de eindtoets werd afgenomen) en 2024-2025 :
Het aantal leerlingen met definitief advies PrO daalt (van ongeveer 2900 naar 2600 leerlingen).
Het aantal leerlingen met definitief advies vmbo-basis daalt (van ongeveer 2000 naar 1700 leerlingen).
Het aantal leerlingen met definitief advies vmbo-basis/kader stijgt (van ongeveer 450 naar 600 leerlingen).
Dit leidde in schooljaar 2023-2024 tot een sterk gedaalde instroom op praktijk- en vmbo-scholen.
Of alle veranderingen rond de doorstroomtoets ook tot meer passende adviezen voor de leerlingen leidt, is pas over een paar jaar te zeggen. Dan weten we of leerlingen nog steeds op de geadviseerde onderwijssoort zitten. De PO-Raad blijft, samen met de VO-raad, de ontwikkelingen rondom de doorstroomtoets en de effecten in het voortgezet onderwijs volgen.
Verplicht bijstellen zorgt niet voor meer kansengelijkheid
De wet doorstroomtoetsen po is ingevoerd om leerlingen meer gelijke kansen te geven. Het idee is dat leerlingen met gelijke prestaties ook een gelijk schooladvies krijgen voor het vo. In de praktijk blijkt echter dat het heroverwegen en eventueel aanpassen van het schooladvies sterk verschilt per regio. Basisscholen gaan hier op verschillende manieren mee om.
Een belangrijke factor die hiermee samenhangt, is de schoolweging. Dit is een getal dat aangeeft hoeveel risico’s er voor een school bestaan op onderwijsachterstanden. Scholen met een hogere schoolweging hebben te maken met een relatief complexere leerlingpopulatie. Deze scholen ontvangen daarom extra middelen van de overheid, zoals geld voor personeel, om deze leerlingen beter te begeleiden en zo de kansenongelijkheid te verkleinen.
Juist op scholen met een hoge schoolweging komt het vaker voor dat leerlingen een lager schooladvies krijgen dan ze op basis van hun capaciteiten aankunnen. Dat kan komen door onbewuste lage verwachtingen of doordat deze leerlingen eerder minder kansen hebben gehad om hun talenten te ontwikkelen. Voor hen is het heroverwegen van het schooladvies, bijvoorbeeld op basis van de doorstroomtoets, extra belangrijk.
Kortom: het heroverwegen van het schooladvies is in het huidige systeem een belangrijk instrument om kansenongelijkheid tegen te gaan, vooral op scholen met een hoge schoolweging. Juist daar helpt het om te voorkomen dat leerlingen worden ondergeadviseerd en vergroot het de kans op een passend schoolniveau.
Percentage heroverwegingen per gemeente (2024-2025)
Verschillen tussen regio’s
In sommige gemeenten wordt het schooladvies bij 2% van de leerlingen heroverwogen, in andere gemeenten bij bijna 60% van de leerlingen.
In gemeenten waar gezinnen met een hoge sociaaleconomische status wonen (zoals Bloemendaal, Gooise Meren en Amstelveen), krijgen leerlingen vaker een hoog schooladvies. Omdat hoge schooladviezen minder vaak worden heroverwogen, zou je verwachten het schooladvies ook minder vaak wordt bijgesteld. Dit blijkt in de praktijk niet zo te zijn.
In gemeenten met een gemiddeld lage schoolweging (bijvoorbeeld Bloemendaal, Gooise Meren, Heemstede, Oegstgeest) wordt een havo/vwo-advies sinds de invoering van de Wet doorstroomtoets anderhalf keer zo vaak bijgesteld als in gemeenten met een gemiddeld hoge schoolweging (bv Den Helder, Emmen, Heerlen, Lelystad, Schiedam of Vlaardingen).
Percentage bijstellingen per gemeente (2024-2025)
Adviezen vaker bijgesteld op scholen met lage schoolweging
De grafieken laten zien dat na schooljaar 2022-2023 op alle scholen meer adviezen worden aangepast. Maar de stijging is het grootst op scholen met een lage schoolweging. In 2023-2024 werd op scholen met veel achterstandsleerlingen het schooladvies twee keer (20%) zo vaak aangepast als op scholen met weinig achterstandsleerlingen (10%).
Aandeel bijstellingen per schoolweging per schooladvies (bo)
Bron: DUO, Register Onderwijsdeelnemers, bewerking PO-Raad. Aangevuld met Centraal Bureau voor de Statistiek, Schoolweging 2021-2024 en Inspectie van het Onderwijs, Schoolweging 2021/2022, 2022/2023 en 2023/2024
Na de invoering van de doorstroomtoets is dat sterk veranderd. Nu zijn het scholen met vooral gelijke en weinig complexe leerlingpopulaties die baat hebben bij het in principe verplicht bijstellen. Daardoor lijkt het verplichte bijstellen zijn doel van bevorderen van kansengelijkheid niet te halen. In plaats van het tegengaan van onderadvisering van achterstandsleerlingen, hebben vooral leerlingen met een sterkere start baat bij de regelgeving rondom het verplicht bijstellen.
Ander advies bij dezelfde toetsresultaten
In schooljaar 2023-2024 is de doorstroomtoets ingevoerd. Dankzij dezelfde ‘ankervragen’ kunnen de toetsen van verschillende aanbieders met elkaar worden vergeleken.
Toch bleek na de eerste afname van de doorstroomtoets in 2024 dat er verschillen zijn tussen de toetsen als het gaat over de referentieniveaus voor rekenen, taal én lezen. In de grafieken hieronder staat per school hoeveel leerlingen het fundamentele niveau (1F) of streefniveau (2F/1S) behalen. Elke lijn staat voor een toetsaanbieder.
Streefniveaus verschillen per toets
Als we de twee grootste toetsaanbieders met elkaar vergelijken, zien we overeenkomsten in de referentieniveaus. Bij de ene toets zijn er echter op het fundamentele niveau meer vestigingen waar alle leerlingen 1F behalen. Bovendien ligt het percentage vestigingen dat 1S/2F behaalt voor deze toetsaanbieder gemiddeld iets hoger.
De referentieniveaus worden onder andere gebruikt door de Inspectie van het Onderwijs om te bepalen hoe goed een school presteert. De inspectie hanteert hierbij een gewogen driejaarsgemiddelde over alle drie de disciplines (rekenen, taalverzorging en leesvaardigheid).
Het feit dat we bij de streefniveaus verschillen zien in de resultaten tussen toetsen, maakt dat de oordeelsvorming van de inspectie op basis van deze toetsresultaten onder druk komt te staan. Het referentiekader en de verschillende leerwegen in het voortgezet onderwijs zijn echter niet een-op-een aan elkaar gekoppeld.
Verschillende adviezen bij gelijke referentieniveaus
De doorstroomtoets kijkt onder andere naar of een leerling het referentieniveau heeft behaald ten aanzien van taalverzorging, leesvaardigheid en rekenvaardigheid. Leerlingen die op deze drie onderdelen het fundamenteel niveau (1F) halen, krijgen meestal een vergelijkbaar toetsadvies. Toch zijn er verschillen tussen toetsaanbieders in de normering en manier waarop referentieniveaus meewegen in de eindscore.
Uit cijfers blijkt dat:
Ongeveer 40% van de leerlingen een vmbo-basis/kader advies krijgt.
Ongeveer 60% van de leerlingen een vmbo-kader/gt advies krijgt.
Een heel klein deel van de leerlingen het toetsadvies vmbo-gt/havo krijgt.
Bij het streefniveau is dat anders. Leerlingen die op rekenen, taal én lezen boven het streefniveau presteren, krijgen een toetsadvies dat varieert van vmbo-gt/havo tot en met vwo. Maar er zijn flinke verschillen tussen toetsaanbieders.
Uit cijfers blijkt dat:
Uit sommige toetsen vaker een vwo-advies volgt dan bij andere aanbieders.
Bij de ene toetsaanbieder 19% van de leerlingen een vwo-advies krijgt, bij een andere is dat 37%.
Het percentage havo/vwo-adviezen uiteenloopt van 49% tot 60%.
Het percentage vmbo-gt/havo-adviezen uiteenloopt van 14% tot 22%.
Dat betekent: ook al presteren leerlingen hetzelfde op de toets, toch krijgen ze soms een ander toetsadvies, afhankelijk van de toets die ze maken.
Na de afname van de eerste doorstroomtoets in 2023-2024 wisselden ruim 400 scholen van toetsaanbieder. In de onderstaande grafiek staat per schoolweging het percentage leerlingen dat vorig jaar, en dit jaar, het fundamenteel en streefniveau behaalde. Dit zijn alleen de leerlingen op scholen die het vorige jaar voor een andere toets hebben gekozen. Of die scholen dat hebben gedaan om betere resultaten te behalen, en wat ze daarvoor nog meer hebben gedaan (bijvoorbeeld toetstrainingen aanbieden), is niet bekend. De PO-Raad heeft geen gegevens of deze scholen een papieren of een digitale toets afnemen.
Percentage fundamenteel- en streefniveau per schoolweging
Bekijk hier de grafiek met percentages. Bron: DUO, Register Onderwijsdeelnemers, bewerking PO-Raad. Aangevuld met Centraal Bureau voor de Statistiek, Schoolweging 2021-2024 en Inspectie van het Onderwijs, Schoolweging 2021/2022, 2022/2023 en 2023/2024
De PO-Raad kijkt vooruit.
De doorstroomtoets heeft meerdere functies, waaronder het selecteren van leerlingen voor een passende plaats in het voorgezet onderwijs en het beoordelen van scholen door de inspectie. De PO-Raad vindt het niet passend dat de toets voor twee functies wordt gebruikt. Hier beschrijven we hoe we denken over de selectiefunctie van de toets. Vervolgens vertellen we hoe we denken over de rol van de toets in de beoordeling van de resultaten door de inspectie.
De PO-Raad ziet dat de doorstroomtoets niet zorgt voor gelijke kansen, zoals vooraf werd verwacht. Uit cijfers en signalen uit de praktijk blijkt dat vooral leerlingen op scholen met een lage of juist een hoge schoolweging profiteren van een bijstelling na de toets. Vooral op scholen met een lagere schoolweging stijgt het aantal bijstellingen snel. De toets zorgt daardoor niet voor meer kansengelijkheid, maar vergroot juist de verschillen tussen groepen leerlingen bij de overstap naar het voortgezet onderwijs.
De doorstroomtoets geeft steeds minder vaak pro/vmbo-basis en vwo-adviezen. Leerlingen met een vmbo-basis schooladvies krijgen vaker een hoger toetsadvies, zoals vmbo-basis/kader of kader-gt. En leerlingen met een vwo-schooladvies krijgen vaak een lager toetsadvies, zoals havo/vwo of gt/havo. Dat de adviezen naar elkaar toegroeien, laat mogelijk zien dat de verschillen in leerprestaties van kinderen kleiner zijn dan we vaak denken.
Als leerlingen hetzelfde niveau van 2F/1S beheersen, geven de verschillende toetsen toch verschillende adviezen. Het zou helpen wanneer de referentieniveaus duidelijker aansluiten op de overstap naar het voortgezet onderwijs en de te geven adviezen.
Tijd om het onderwijssysteem anders in te richten
De PO-Raad pleit opnieuw voor latere selectie. Leerlingen krijgen nu te weinig tijd en mogelijkheden om hun ontwikkelpotentieel te laten zien. De PO-Raad pleit voor een onderwijssysteem waarin alle leerlingen zich langer kunnen ontwikkelen, zonder vroeg ingedeeld te worden op een vast niveau in het voortgezet onderwijs. Het is niet alleen de toets die selecteert, maar het hele systeem is hierop gericht. Wij vinden dat dit moet veranderen. Toetsen moeten leraren helpen om te zien wat een leerling nodig heeft om verder te groeien. De huidige rol van de doorstroomtoets past niet bij goed onderwijs voor álle leerlingen en de mogelijkheden die er zijn om echt over te gaan tot het later selecteren van leerlingen.
Beoordeling van scholen op basis van de doorstroomtoets
De resultaten van de doorstroomtoets hebben een belangrijke positie in de beoordeling van scholen door de inspectie. Op dit moment vormen de gewogen gemiddeld behaalde referentieniveaus over drie jaren de aanleiding voor een oordeel op de kernstandaard “onderwijsresultaten”. Dat er verschillende toetsen bestaan die het mogelijk maken om een ander resultaat te krijgen, vertroebelt mogelijk het beeld van de resultaten. Daardoor kunnen scholen en leerlingen niet langer vertrouwen op de toets als gelijke maatstaf voor de beoordeling van scholen. De PO-Raad heeft vertrouwen in het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs en stelt daarom voor om de waarde van de toets in het toezichtkader te laten afnemen en niet langer als kernstandaard op te nemen. Bij een bezoek aan de school wordt dan het onderwijsproces onderzocht. Op basis van het onderwijsproces kan de inspectie vervolgens een oordeel geven over het onderwijs op de scholen.
Samenwerking
De PO-Raad werkt nauw samen met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om leerlingen in Nederland het beste onderwijs te bieden, ook voor de doorontwikkeling van de doorstroomtoets. We blijven ons, samen met het ministerie en andere stakeholders, inzetten om het onderwijs voor alle leerlingen duurzaam te verbeteren. We kijken uit naar de rapportage van het College voor Toetsen en Examens en de kamerbrief die door de staatssecretaris zijn aangekondigd ten aanzien van de verantwoording van de werking van de doorstroomtoets.
Naast de samenwerking met het ministerie onderzoeken we ook welke mogelijkheden er zijn om latere selectie in de praktijk vorm te geven. Hiervoor starten we binnenkort met een adviesteam waarin leden van de PO-Raad, leden van de VO-raad en wetenschappers samen werken aan een breed gedragen advies aan zowel OCW als aan de leden van de VO-raad en PO-Raad.