Themarapportage 

Gespecialiseerd onderwijs 

Het gespecialiseerd onderwijs is onderwijs dat specifiek is afgestemd op de behoeften van leerlingen met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking, of leerlingen met leer- en/of gedragsproblemen. Met extra ondersteuning en aanpassingen, afgestemd op individuele beperkingen en mogelijkheden, krijgen leerlingen de kans om zich optimaal te ontwikkelen en te leren.  Als een reguliere school niet de juiste ondersteuning kan bieden, kan een leerling doorverwezen worden naar het gespecialiseerd onderwijs. Hiervoor is een toelaatbaarheidsverklaring nodig. 

Een product van:

PO raad logo

Speciaal basisonderwijs (sbo)

Onderwijs gericht op leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben in het basisonderwijs, maar voor wie het speciaal onderwijs niet nodig is. Bijvoorbeeld leerlingen die de leerstof wel volgen maar meer begeleiding, een kleinere klas of een aangepast tempo nodig hebben. Het speciaal basisonderwijs valt onder de Wet op het primair onderwijs.

Speciaal onderwijs (so)

Onderwijs voor leerlingen die vanwege hun ondersteuningsbehoefte of stoornis niet het gebruikelijke basisonderwijs kunnen volgen. So-scholen bieden intensieve begeleiding, aangepast aan de persoonlijke behoeften van het kind, en een op maat gemaakt leerprogramma. Het speciaal onderwijs valt onder de Wet op de expertisecentra.

Voortgezet speciaal onderwijs (vso)

Voortgezet onderwijs voor leerlingen van 12 tot 20 jaar die extra ondersteuning nodig hebben. Vso-scholen bieden uitstroom naar arbeid of dagbesteding, en vmbo, havo en vwo. Het voortgezet speciaal onderwijs valt onder de Wet op de expertisecentra.

In deze rapportage wordt gesproken over het gespecialiseerd onderwijs als het over het sbo, so en vso gaat. Wanneer wordt gesproken over speciaal onderwijs dan gaat het alleen over het so en vso (cluster 1 tot en met 4). Het praktijkonderwijs (onderdeel van het regulier vo) is in deze rapportage niet apart onderzocht.

Het so en vso is onderverdeeld in vier clusters. Elk cluster richt zich op een specifieke doelgroep. Hieronder staat een overzicht van de verschillende clusters:  

Cluster 1
Voor blinde en slechtziende leerlingen, en kinderen met ernstige visuele beperkingen.

Cluster 2
Voor dove en slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraak- en taalproblemen zoals een taalontwikkelingsstoornis (TOS), en kinderen die communicatief gehandicapt zijn.
 

Cluster 3
Voor leerlingen met een lichamelijke
– en/of verstandelijke beperking, en leerlingen die een chronische ziekte hebben.
 

Cluster 4
Voor leerlingen met gedragsproblemen of psychiatrische aandoeningen, zoals autisme of ADHD, en kinderen die vanuit de jeugdzorg worden begeleid.
 
 

Leerlingen en onderwijs

Elk kind is uniek, met eigen talenten en leer- en/of ondersteuningsbehoeften. Het gespecialiseerd onderwijs helpt kinderen die extra begeleiding nodig hebben. Zo biedt het gespecialiseerd onderwijs leerlingen met een zorgvraag gelijke kansen om hun potentieel te ontwikkelen. 

Scholen in het gespecialiseerd onderwijs hebben de taak om hoge, maar haalbare verwachtingen te stellen aan het ontwikkelingsperspectief van elke leerling. Deze verwachtingen moeten aansluiten bij de mogelijkheden en talenten van het kind. Het welzijn van de leerlingen vereist continue aandacht, omdat een veilige en ondersteunende leeromgeving essentieel is voor hun groei.  

Kleuter blij om op school te zijn

Om leerlingen optimaal voor te bereiden op vervolgonderwijs, werk of dagbesteding, is het van belang om hen zoveel mogelijk kansen te bieden en gericht advies te geven dat recht doet aan hun talenten. Dit kan alleen met een sterke samenwerking tussen scholen, kinderopvang, zorginstellingen, gemeenten en andere ondersteunende diensten. Samen zorgen zij ervoor dat leerlingen en hun gezinnen de begeleiding krijgen die ze nodig hebben. 

Meer leerlingen naar het speciaal onderwijs, daling in het speciaal basisonderwijs 

In schooljaar 2024-2025 gaan er ongeveer 108.000 leerlingen naar het gespecialiseerd onderwijs: ruim 33.000 leerlingen gingen naar het sbo, 35.000 leerlingen naar het so en bijna 40.000 leerlingen naar het vso. Het aantal leerlingen in het so en vso neemt de afgelopen jaren toe: in het schooljaar 2018-2019 ging 2,8% van alle leerlingen in het funderend onderwijs (po en vo) naar het speciaal onderwijs, in 2024-2025 is dit gestegen tot 3,1%. De stijgende lijn wordt mogelijk veroorzaakt door toenemende maatschappelijke en sociale complexiteit, bezuinigingen op jeugdhulp en hogere prestatiedruk. Als kinderen en jongeren niet kunnen voldoen aan wat de maatschappij van ze verwacht, kunnen problemen op school ontstaan.

In de figuur is het aantal leerlingen weergegeven als index. Schooljaar 2018-2019 staat gelijk aan 100. Bijvoorbeeld de index voor het aantal leerlingen in het so staat in 2024-2025 op 114, dat betekent dat er 14% meer leerlingen in het so zijn dan in 2018-2019. 

Tegelijk daalt het aantal leerlingen in het sbo; een verklaring daarvoor kan zijn dat extra gelden uit het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) en regionale initiatieven voor passend onderwijs leidden tot inclusiever onderwijs. Er zijn meer handen in de klas waardoor er meer individuele aandacht per kind is en leerlingen (langer) in het regulier onderwijs kunnen blijven. Voor het reguliere onderwijs is het beter mogelijk om sbo-leerlingen op te vangen dan leerlingen uit het speciaal onderwijs. Dit kan doordat leerlingen in een sbo-setting vaak mildere ondersteuningsbehoeften hebben dan leerlingen in het so.  Ten slotte kan het zijn dat sommige leerlingen eerder dan voorheen naar het so worden verwezen, in plaats van dat ze naar het sbo gaan.

Ontwikkelingen per cluster  

Het aantal leerlingen in clusters 1 (visueel gehandicapte kinderen) en cluster 2 (dove en slechthorende kinderen of kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS)) blijft de afgelopen jaren constant. Het aantal kinderen op cluster 3 en/of 4 scholen neemt toe.  

De reden voor de groei op cluster 3 en/of 4 scholen is nog weinig onderzocht. Op dit moment zijn we met OCW in gesprek om te bekijken hoe we de groei in het gespecialiseerd onderwijs, met name het cluster 3, verder kunnen onderzoeken. Het is ook interessant om de mogelijkheden te verkennen voor onderzoek naar de (lichte) daling van het aantal leerlingen in het sbo.  

In de figuur is het aantal leerlingen in het so en vso opgeteld weergegeven. Waar mogelijk is uitgesplitst naar cluster. Er zijn ook scholen die zowel cluster 3 als cluster 4 aanbieden.

Stijging binnen cluster 3 en 4

Het totaal aantal leerlingen in het (v)so neemt toe, waardoor er meer plekken op (v)so-scholen nodig zijn. Er is een relatieve toename van het aantal leerlingen ten opzichte van het totaal aantal leerlingen in het funderend onderwijs. Dit betekent dat leerlingen wellicht eerder worden doorverwezen naar het (v)so. In het so zit de toename vooral bij zeer moeilijk lerende en meervoudig gehandicapte kinderen (cluster 3).  

In het vso gaat het met name om leerlingen met externaliserend gedrag (cluster 4). Bij externaliserend probleemgedrag is het gedrag van een leerling naar buiten gericht.

Als het grootste deel van de leerlingen in het so in de komende jaren naar het vso gaat, dan neemt de instroom in het vso de komende jaren ook toe en kunnen daar knelpunten ontstaan. 

Leerlingen in het sbo en (v)so 

De gemiddelde leeftijd van leerlingen in het sbo en so ligt hoger dan in het bo. Vaak zijn leerlingen op een reguliere basisschool begonnen en stromen ze pas later in het so of sbo in. Hierdoor zijn er minder onderbouw en meer middenbouw en bovenbouwleerlingen in het so en sbo.

Van alle vierjarigen die naar school gaan, stroomt ongeveer 1% direct in het so in en 0,5% in het sbo (de zogenaamde onderinstroom). Dit percentage is in de afgelopen vijf jaar constant gebleven. 

Er gaan meer jongens dan meisjes naar het speciaal onderwijsHet aandeel meisjes in het gespecialiseerd onderwijs is in de afgelopen vijf jaar wel licht toegenomen van 27% naar 29%.  De groei van het aantal leerlingen in cluster 4 (voor leerlingen met gedragsproblemen en psychiatrische stoornissen) komt vooral doordat er meer meisjes naartoe gaan. Ten opzichte van schooljaar 2018-2019 gaan er in 2024-2025 ruim 20% meer meisjes naar cluster 4 scholen.

Meer geregistreerde opps in het bo

Voor elke leerling in het (v)so en sbo wordt een ontwikkelingsperspectief-plan (opp) opgesteld op basis van de mogelijkheden, beperkingen en de onderwijsbehoeften.  In het opp staat welke onderwijsdoelen haalbaar zijn voor de leerling en welke begeleiding of ondersteuning nodig is om deze doelen te bereiken. Zo helpt het opp om realistische verwachtingen te stellen en om de juiste ondersteuning te bieden voor de ontwikkeling van de leerling. 

Ook leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte in het regulier bo krijgen een opp. De Inspectie voor het Onderwijs meldde scholen in 2022 dat een opp ook voor deze leerlingen verplicht is. Mede daardoor stijgt het aantal opp’s in het regulier bo vanaf schooljaar 2022-2023 sterk. Om inzichtelijk te houden hoeveel leerlingen extra ondersteuning nodig hebben, is het belangrijk dat scholen dit blijven vastleggen, ook in het reguliere bo.

* de gegevens van 2024-2025 zijn voorlopig. Het aantal opp’s zal vermoedelijk hoger zijn in de definitieve data.

Groepsgrootte in het onderwijs 

Groepen in sbo, so en vso zijn meestal kleiner dan in het regulier bo, en er is minder variatie in de omvang. De mediane [1] groepsgrootte in het bo ligt op 22 leerlingen. In het sbo en (v)so is dat lager: daar is de groepsgrootte respectievelijk 13 en 10 leerlingen per groep.

De grootte van de groepen varieert tussen scholen, en ook binnen scholen. In het (v)so ligt het aantal leerlingen per groep meestal tussen de 7 en 13 leerlingen. In het sbo meestal tussen de 10 en 15 leerlingen. Voor de ondersteuningsbehoeften van specifieke groepen leerlingen zijn kleinere klassen nodig, met meer begeleiding van de leerling bij onderwijs en zorg. Deze leerlingen hebben bijvoorbeeld vaker aangepaste leermethodes, extra (specifieke) instructie, specialistische begeleiding en zorg passend bij de problematiek nodig. 

[1] De mediaan is de middelste waarde van een groep getallen die gerangschikt wordt volgens grootte. De mediaan is een betrouwbaarder maat dan het gemiddelde bij grootheden die scheef verdeeld zijn, zoals hier het geval is.

Toelichting bij berekening groepsgrootte
De groepsgrootte is
bepaald op basis van gegevens van DUO. Scholen leveren zelf een groepsindeling aan. Echter, bij kleine scholen of scholen met een specifiek onderwijsconcept (bv Jenaplan of Montessori) zitten er soms meerdere groepen in één klas. Dit is niet in de data te zien. Daarnaast stroomt een deel van de leerlingen in groep 1 gedurende het jaar nog in. Hierdoor is de mediane groepsgrootte in het bo vermoedelijk een onderschatting van de werkelijke groepsgrootte. 

Minder vso-uitstroomprofiel dagbesteding, meer arbeidsmarkt  

Leerlingen in het vso volgen onderwijs naar een uitstroomprofiel dat past bij hun ontwikkelingsperspectief. Het uitstroomprofiel vervolgonderwijs begeleidt leerlingen naar een examen op praktijkonderwijs, vmbo, havo of vwo-niveau, waarna ze toegang hebben tot een vervolgopleiding. Leerlingen die het uitstroomprofiel arbeidsmarkt volgen, worden door de school voorbereid om uit te stromen naar een plek op de arbeidsmarkt (al dan niet beschermd). In sommige gevallen stromen deze leerlingen toch door naar een vervolgopleiding zoals entree-MBO. Wanneer een vervolgopleiding of baan naar verwachting niet mogelijk is, volgen leerlingen het uitstroomprofiel dagbesteding. Dit zijn meestal ernstig verstandelijk of meervoudig beperkte leerlingen of leerlingen met specifieke (gedrags)problematieken. 

In 2022 is er een wetsvoorstel aangenomen om vrijstelling van de leerplicht (artikel 5a) meer te beperken. Leerlingen die eerder naar dagbesteding zouden gaan, stromen nu daardoor vaker het speciaal onderwijs in. De verwachting was dat er daardoor meer leerlingen met uitstroomprofiel dagbesteding in het vso zouden komen. Dat blijkt echter niet uit de cijfers. Het aandeel leerlingen met uitstroomprofiel dagbesteding neemt iets juist af, terwijl het aantal leerlingen met uitstroomprofiel arbeidsmarkt is toegenomen.

Leerkracht helpt leerling

Scholen voor gespecialiseerd onderwijs 

Er zijn in schooljaar 2024-2025 in Nederland 850 schoolvestigingen voor sbo en (v)so Het aantal so- en vso-vestigingen blijft constant, het aantal vestigingen in het sbo neemt af. Dit hangt uiteraard ook samen met de afname van het aantal leerlingen in het sbo, en waarschijnlijk ook met bijvoorbeeld regionale initiatieven voor inclusiever onderwijs.  

 

De meeste vestigingen van (v)soscholen zijn cluster 3 en/of 4 vestigingen. Het aantal cluster 1 en 2 vestigingen is al jaren constant. Omdat cluster 3 en 4 scholen geen nieuwe vestigingen mogen openen, zijn er relatief veel nevenvestigingen. Voor deze nevenvestigingen is geen extra financiering voor bijvoorbeeld schoolleider of andere ondersteunende diensten beschikbaar. 

Personeel

Het aantal personen dat in het gespecialiseerd onderwijs werkt is in de afgelopen jaren toegenomen. Toch raakt de arbeidsmarktkrapte ook het gespecialiseerd onderwijs, net als veel andere sectoren. Het is essentieel om het talent, de expertise en de ervaring van professionals te behouden, en tegelijkertijd nieuw talent aan te trekken om de zorg en ondersteuning aan de leerlingen te blijven waarborgen.  

Toename personeel in het go 

Het aantal personen én fte in het gespecialiseerd onderwijs is de afgelopen jaren toegenomen. Het aantal ftes in het (v)so is in 2023 met 12,4% gestegen ten opzichte van 2019. Deze stijging gaat gelijk op met de stijging van het aantal leerlingen in het (v)so. In het sbo is het aantal fte met 5,6% toegenomen ten opzichte van 2019. In het gehele funderend onderwijs was deze toename 5,5%. De extra NPO gelden hebben hier mogelijk aan bijgedragen. 

De gemiddelde betrekkingsomvang in het sbo ligt rond de 0,70 fte. In het (v)so is de betrekkingsomvang constant gebleven op 0,74 fte. 

Meer personele begeleiding per groep 

Het regulier bo heeft gemiddeld 1,4 fte aan onderwijzend of onderwijsondersteunend personeel per groep. Dit zijn leerkrachten, maar ook onderwijsassistenten, remedial teachers etc. In het sbo en (v)so is er meer begeleiding: op (v)soscholen heeft een groep gemiddeld 2,6 fte onderwijzend en/of direct onderwijsondersteunend personeel, in het sbo ligt dat rond de 2,0 fte.

Het aantal fte per groep is gekoppeld aan de specifieke behoeften van de leerlingen in het sbo en (v)so. Leerlingen in het sbo en (v)so hebben vaak complexe leer- of gedragsproblemen, fysieke of zintuiglijke beperkingen, of psychiatrische stoornissen.

Deze leerlingen hebben intensievere en op maat gemaakte begeleiding nodig, zowel individueel als in groepsverband. Daarbij hebben leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs vaker aangepaste leermethodes, extra (specifieke) instructie, specialistische begeleiding en zorg passend bij de problematiek nodig. Om deze intensieve begeleiding te bieden is meer personeel noodzakelijk.  

Vanwege de intensieve begeleiding zijn er vaak ook andere gespecialiseerde professionals betrokken in de klas, zoals onderwijsassistenten, orthopedagogen, logopedisten, fysiotherapeuten of gedragsspecialisten. In sommige gevallen is er ook zorgpersoneel (al dan niet in dienst van school) aanwezig om kinderen met lichamelijke beperkingen of medische zorgbehoeften te ondersteunen. 

Meer ondersteunend personeel 

In het speciaal onderwijs is er relatief veel direct onderwijsondersteunend personeel (OOP), meer dan in het regulier en speciaal basisonderwijs. Hiermee wordt het ondersteunend personeel bedoeld met les- en behandeltaken.  

Dit aandeel is in de periode 2019-2023 toegenomen van 38% naar 42% . In dezelfde periode neemt het aandeel onderwijzend personeel (OP) af van 54% naar 49%. Het totaal aantal fte OP en direct OOP in het gespecialiseerd onderwijs is toegenomen van 18.000 in 2019 naar 20.000 in 2023. 

De verhouding tussen onderwijsgevend en direct ondersteunend personeel is vooral in het (v)so en sbo sterk veranderd in de afgelopen jaren. Dit is deels te verklaren door de NPO-middelen, waarmee relatief veel onderwijsondersteunend personeel is aangenomen. Het aannemen van meer bevoegde leerkrachten was door krapte op de arbeidsmarkt niet altijd mogelijk. Doordat de financiering van NPO niet structureel gegarandeerd is, kunnen scholen deze medewerkers niet altijd een vast contract bieden. De NPO-middelen kunnen tot en met schooljaar 2024-2025 worden ingezet. Wanneer de subsidie stopt, kan het extra personeel niet zomaar worden behouden. 

Lerarentekort sbo hoog

Het tekort aan leraren in het (v)so en sbo is hoog, net als in het regulier basisonderwijs. In het sbo is het tekort zelfs 15% van het totaal aantal ftes in het sbo. 

Om de krapte op de arbeidsmarkt aan te pakken, moeten we breder kijken naar de instroom en het behoud van personeel. Bijvoorbeeld met behulp van alternatieve routes naar het leraarschap in het gespecialiseerd onderwijs, meer samenwerken bij werving en de begeleiding van nieuwe medewerkers, en met meer aandacht voor professionalisering en het welzijn van het personeel. Zo zorgen we ervoor dat de sector aantrekkelijk blijft.

 

Tijdelijke en vaste contracten 

Bijna negen op de tien onderwijsprofessionals (86%) in het gespecialiseerd onderwijs heeft een vast contract. Het aandeel tijdelijke contracten is de laatste jaren wel toegenomen. Dit komt onder meer door de toename van onderwijsondersteunend personeel, dat mede dankzij de werkdrukmiddelen (2018) en NPO-middelen (2021) aangenomen kon worden. Aangezien de financiering hiervan niet structureel gegarandeerd is, kunnen scholen hen vaak geen vast contract bieden. De minste vaste contracten zijn dan ook te vinden onder deze functiecategorie (72%); onder directie (91%) en onderwijzend personeel (89%) zijn de meeste vaste contracten. 

Schoolorganisaties bieden startende onderwijsprofessionals vaak een tijdelijk contract. Bij goed functioneren wordt dit contract veelal na een jaar omgezet in een vast contract. Scholen hebben in de afgelopen jaren veel direct onderwijsondersteunend personeel aangenomen op basis van tijdelijke gelden (bijvoorbeeld de NPO-middelen in 2021). Doordat de financiering hiervan niet structureel gegarandeerd is, kunnen zij deze medewerkers niet altijd een vast contract bieden.

Bekostiging gespecialiseerd onderwijs

De reguliere bekostiging van het gespecialiseerd onderwijs door de Rijksoverheid kent globaal twee vormen: basisbekostiging en ondersteuningsbekostiging. De basisbekostiging bestaat uit een vast bedrag per school en een bedrag per leerling. De ondersteuningsbekostiging is bedoeld voor extra ondersteuning van leerlingen in het bo en vo, het sbo en het (v)so. Dit is een vast budget en wordt naar rato van het aantal leerlingen binnen het samenwerkingsverband (swv) toegekend. Een deel van de ondersteuningsbekostiging gaat rechtstreeks naar de sbo– en (v)so scholen die onder het samenwerkingsverband vallen. Het resterende deel van de ondersteuningsbekostiging wordt uitgekeerd aan het samenwerkingsverband, ten behoeve van alle scholen (vo, bo, sbo  en (v)so cluster 3 en 4) binnen het samenwerkingsverband. Er zijn samenwerkingsverbanden voor het po en voor het vo. In de figuur hieronder zijn de bekostigingsstromen po en vo voor de overzichtelijkheid niet apart weergegeven.  

Basisbekostiging vast bedrag per school en bedrag per leerling gaat naar alle scholen. Ondersteuningsbekostiging gaat naar cluster 1 &2 scholen. Ondersteuningsbudget (gebudgetteerd) gaat naar cluster 3&4 en sbo scholen. Restrerend bedrag gaat naar het swv die het geld verdeer tussen cluster 3&4 scholen, bo-scholen en sbo scholen

Basisbekostiging wordt rechtstreeks aan scholen uitgekeerd.

Ondersteuningsbekostiging voor cluster 1 en 2 scholen is een vast bedrag per school en wordt rechtstreeks aan de scholen uitgekeerd. Deze scholen begeleiden ook leerlingen met een visuele of auditieve beperking die op een reguliere school zitten. De overige ondersteuningsbekostiging is gebudgetteerd en wordt per samenwerkingsverband bepaald:

  • Het bedrag dat beschikbaar is binnen het samenwerkingsverband wordt bepaald op basis van het aantal leerlingen op alle scholen binnen het samenwerkingsverband (zie ook Toolbox bekostiging primair onderwijs)
  • Daar trekt DUO een vast bedrag voor ondersteuningsbekostiging per verwezen leerling naar het gespecialiseerd onderwijs vanaf. Het bedrag is afhankelijk van het aantal toelaatbaarheidsverklaringen (tlv’s) en het soort tlv’s (categorie 1 (laag), 2 (midden) of 3 (hoog)). Dit deel van de ondersteuningsbekostiging wordt rechtstreeks door DUO aan de sbo- en (v)so-scholen uitgekeerd.
  • Het restant gaat naar het samenwerkingsverband voor overige vormen van lichte en zware ondersteuning, veelal binnen de vo- of bo- en sbo-scholen in het samenwerkingsverband.

Verdeling basis- en ondersteuningsbekostiging gespecialiseerd onderwijs (mln euro)

Correctie: de bedragen in de figuur waren in een eerdere versie bij de verkeerde sectoren geplaatst. 

Bekostigingsbedragen

In 2023 bedroeg de reguliere bekostiging van sbo-scholen, (v)so-scholen en de samenwerkingsverbanden 4,1 mld. De totale bekostiging door de Rijksoverheid in het funderend onderwijs bedroeg in 2023 25,4 mld (€ 14,7 voor het primair onderwijs en € 10,7 voor het voortgezet onderwijs). 

De ondersteuningsbekostiging bestaat uit een bedrag per leerling dat aan (v)so-scholen wordt betaald. Dit gebeurt op basis van de tlv’s die door de samenwerkingsverbanden worden verstrekt. Scholen in cluster 1 en 2 ontvangen een vast bedrag per instelling. De bekostiging van cluster 1 en 2 staat dus los van de samenwerkingsverbanden.  

De ondersteuningsbekostiging bij samenwerkingsverbanden is echter gebudgetteerd (op basis van de budgetten uit 2011, met een jaarlijkse indexatie). Hoe meer leerlingen naar het gespecialiseerd onderwijs gaan (sbo, (v)so cluster 3 en 4), hoe minder geld er dus overblijft voor de extra ondersteuning van leerlingen in het regulier onderwijs. Dit terwijl er sterk op de ondersteuning van de samenwerkingsverbanden wordt geleund voor inclusiever onderwijs. Deze financieringsstructuur zit daardoor de route naar inclusiever onderwijs in de weg.  

Aantal toelaatbaarheidsverklaringen categorie laag neemt toe 

Leerlingen in het (v)so cluster 3 en 4 hebben een toelaatbaarheids-verklaring (tlv) nodig, door het samenwerkingsverband ingedeeld in een lage, midden of hoge categorie. Doordat het aantal leerlingen in het (v)so is toegenomen, stijgt ook het totaal aantal tlv’s. Bij de meeste leerlingen valt deze in de lage categorie; bijna 80% in het so en 90% in het vso.  

Leerlingen in het sbo hebben ook een tlv, maar in het sbo geldt één uniform budget per leerling, ongeacht de zwaarte van de ondersteuning die de leerling nodig heeft. Er wordt dus niet gewerkt met verschillende bekostigingsniveaus zoals licht, middel en zwaar. 

Het aantal tlv’s in de categorieën laag en midden is in de afgelopen vijf jaar sterker toegenomen dan het aantal hoge tlv’s. In het so steeg vooral de categorie midden relatief veel. In het vso nam het aantal leerlingen met een hoge tlv af, terwijl het aantal leerlingen met een tlv in de categorie laag of midden bleef stijgen. Dit kan erop wijzen dat nieuwe tlv’s vaker in de categorie laag of midden worden ingedeeld, ook als deze leerlingen eigenlijk een hoge tlv nodig hebben voor de benodigde zorgondersteuning. Soms verwijzen samenwerkingsverbanden voor zorggerelateerde ondersteuning door naar de gemeente, in plaats van deze vanuit het onderwijs te financieren. Dit kan leiden tot onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is voor welke kosten.

Knelpunt in de bekostiging 

Het aantal leerlingen dat naar het (v)so cluster 3 en 4 gaat, neemt toe, terwijl het totale budget voor ondersteuning via de samenwerkingsverbanden gelijk blijft. Daardoor neemt het deel van het ondersteuningsbudget dat wordt uitgekeerd aan de samenwerkingsverbanden af, en blijft er netto minder budget over voor overige vormen van ondersteuning via de samenwerkingsverbanden. 

Wanneer de ondersteuningsbekostiging aan het (v)so zo hoog wordt, dat die de netto bekostiging zware ondersteuning van het samenwerkingsverband overstijgt, dan wordt het verschil verhaald op de deelnemende scholen in het samenwerkingsverband. Bij enkele samenwerkingsverbanden gebeurt dit al. 

Document om verantwoording van reserves te documenteren