Personeel

Goed werkgeverschap in een aantrekkelijke sector

Het primair onderwijs kampt met een hardnekkig personeelstekort. Het tekort is vooral groot onder leraren en schoolleiders. Om de tekorten aan te pakken, investeert de sector in flexibele opleidingsroutes, zoals zijinstroom, en wordt regionale samenwerking versterkt. Dit hoofdstuk biedt een overzicht van ontwikkelingen op de onderwijsarbeidsmarkt po zoals de personeelsontwikkelingen ende balans tussen onderwijsgevende functies en onderwijsondersteunende functies.

Wie werken er in het primair onderwijs?

In 2024 werkten ruim 190.000 medewerkers in het primair onderwijs, samen goed voor circa 135.000 fte. De meesten werken in het regulier basisonderwijs (bo).

Sinds 2020 nam het personeelsbestand toe met ruim 9.100 medewerkers (bijna 6.500 fte). De sterkste groei vond plaats in het (voortgezet) speciaal onderwijs (+11%) ((v)so). In het regulier basisonderwijs steeg het aantal medewerkers met ruim 4% en in het speciaal basisonderwijs (sbo) met 2%.

De gemiddelde aanstelling bleef de afgelopen jaren stabiel op 0,71 fte.

Meer ondersteunend personeel, aantal leraren daalt

De samenstelling van het personeel in het primair onderwijs is de afgelopen jaren veranderd. In 2024 bestaat ruim twee derde van het personeelsbestand uit leraren. De overige 33% werkt in ondersteunende functies of het management, waarvan het grootste deel direct onderwijsondersteunend is, zoals onderwijsassistenten.

In de afgelopen vier jaar daalde het aandeel leraren binnen het totale onderwijspersoneel met 5%. Aanvankelijk kwam dat door de toename van ondersteunend personeel. Sinds 2021 is ook het aantal leraren gedaald. Vergeleken met 2020 is het aandeel direct onderwijsondersteunend personeel met 4% gestegen, een stijging die grotendeels mogelijk werd gemaakt door inzet van NPO-gelden. Het aandeel indirect ondersteunend personeel groeide met 1%, terwijl het aandeel bestuur, directie en management stabiel bleef op ongeveer 6%. Direct ondersteunend personeel werkt op school en ondersteunt leraren in of rond de klas, bijvoorbeeld als onderwijsassistent of leraarondersteuner. Indirect ondersteunend personeel werkt vooral buiten de klas, op school of op het bestuursbureau, en houdt zich bezig met administratieve, beleidsmatige of organisatorische taken zoals ICT, HR of kwaliteitszorg.

De totale overhead – bestuur, management en indirect ondersteunend personeel – bij het personeel in loondienst ligt al jaren rond de 10% en was 10,6% in 2024.

Jonger personeel en meer leraren met pensioen

Het personeelsbestand in het primair onderwijs is de afgelopen jaren verjongd. In 2020 was ruim de helft (55%) jonger dan 45 jaar, in 2024 is dat aandeel gestegen naar 57%. Vooral de groep 35- tot 45-jarigen groeide, mede dankzij de zijinstromers en deeltijdstudenten. Het aandeel 55-plussers daalde, terwijl het aandeel 65-plussers licht toenam.

Het aandeel ‘Jonger dan 25’ steeg in vijf jaar met anderhalf procentpunt. De stijging is te verklaren door snellere doorstroom van afstudeerders en het traject ‘Versneld voor de klas’, waarbij studenten al tijdens hun opleiding lesgeven.

Van pabo tot leraar

In 2024 stonden zo’n 25.500 studenten ingeschreven bij de pabo (opleiding tot leraar basisonderwijs). Dat zijn er iets minder dan in 2023. Tijdens de coronaperiode steeg het aantal aanmeldingen, vooral bij de deeltijdopleiding. Sindsdien is het totaal aantal studenten relatief stabiel gebleven.

De meeste studenten volgen de opleiding in voltijd (18 duizend). Voltijdsstudenten starten doorgaans direct na de havo, het vwo of het MBO. Nog eens 6,5 duizend studenten kiezen voor een deeltijdopleiding. Zij zijn vaak ouder, combineren (ander) werk en studie, of volgen een verkort traject om zich om te laten scholen tot leerkracht. Bijna duizend studenten volgen de duale route. Bij de duale route heeft de leraar een aanstelling van minimaal twee dagen per week op een basisschool; deze studenten volgen hun opleiding gelijktijdig met de studenten in het deeltijdtraject.

In 2020 was er een tijdelijke piek in inschrijvingen bij de lerarenopleiding, mede door extra aanmeldingen als gevolg van de coronapandemie. Bij sommige pabo’s was er een stijging van 30% te zien, onder meer doordat studenten die meestal een tussenjaar namen, nu direct doorstroomden. Ook oudere deeltijdstudenten kozen vanwege de veranderende arbeidsmarkt vaker voor het leraarsvak.

De nieuwe instroom in de pabo daalde na de piek in 2020, maar laat in 2024 weer een lichte stijging zien tot 5.838 nieuwe studenten (bron: VH feiten en cijfers, eerste inschrijving in jaar 1). Deze groei is vooral toe te schrijven aan de voltijdsopleiding. Veel studenten doen al ervaring op tijdens hun opleiding en draaien zelfs extra uren in de klas naast de reguliere stage.

Het studiesucces op de pabo – het aandeel studenten dat binnen een bepaalde termijn een diploma behaalt in het bekostigd hoger onderwijs – is de afgelopen jaren gedaald. Binnen vijf jaar behaalde 69% van het instroomcohort 2015 een diploma, tegenover 55% van het cohort 2019. 80% van de studenten behaalt binnen acht jaar een diploma. In de voltijdopleiding rondt ongeveer 85% van de studenten de studie met succes af. Voor deeltijd- en duale studenten is dit aandeel lager, mede doordat zij vaker overstappen of langer over de opleiding doen.

Bij zijinstromers in beroep (ZiB) spelen bij de studie-uitval andere factoren dan bij studenten voltijd of deeltijd aan de pabo. Deze groep zegt vaak een eerdere baan op om zich om te scholen voor het onderwijs en staat meteen voor de klas. Door werkdruk of gebrek aan maatwerk vallen zij tijdens de opleiding vaker uit. Naast een hoog aandeel van de studenten dat de pabo afrondt, is het om personeelstekorten terug te dringen minstens zo belangrijk om te zorgen dat zij werkzaam blijven in de sector.

In 2024 zijn er 839 zijinstromers in beroep gestart in het po, iets minder dan in 2023 (908). De meeste zijinstromers volgen een traject via een schoolorganisatie en starten direct in het beroep, terwijl ze tegelijkertijd hun bevoegdheid behalen. Zijinstroom vraagt om goede begeleiding op de werkplek én een nauwe samenwerking tussen opleiding en schoolorganisatie.

Starten in het onderwijs na de pabo

Van de studenten die in 2022 hun pabo-diploma behaalden, werkte 89% het jaar erna (al) in het onderwijs. Daarmee is het aandeel afgestudeerden dat direct een baan vindt als leraar opnieuw hoog. Een kleiner deel kiest na het afstuderen voor een andere sector of neemt eerst een tussenjaar.

De jaarlijkse Loopbaanmonitor laat zien dat de groep afgestudeerden die pas later instroomt in het onderwijs, de zogenoemde late instromers, de afgelopen jaren kleiner is geworden. Bij het cohort 2013 was nog 13% een late instromer, bij het cohort 2018 is dat gedaald naar 5%.

Wanneer ook deze late instromers worden meegerekend, komt het totale aandeel pabo-afgestudeerden dat uiteindelijk in het onderwijs werkt uit op ongeveer 84%. Dat laat zien dat de meeste pabostudenten hun opleiding daadwerkelijk afronden met een duurzame loopbaan als leraar.

Personeelstekorten blijven toenemen

Het primair onderwijs heeft nog steeds te maken met grote personeelstekorten. Jaarlijks brengt Centerdata deze tekorten in kaart. In oktober 2024 bedroeg het tekort circa 7.700 fte aan leraren (8,1% van de werkgelegenheid) en 850 fte aan schoolleiders (9,8%). De cijfers omvatten zowel openstaande vacatures als zogenoemde verborgen tekorten.

Bij verborgen tekorten worden leraren of ondersteuners anders ingezet om gaten in de formatie te vullen, bijvoorbeeld door onbevoegde leraren tijdelijk voor de klas te zetten, klassen samen te voegen of personeel uit ondersteunende functies over te hevelen naar het lesgeven. De tekorten nemen toe door een combinatie van factoren: te weinig nieuwe leraren die instromen, uitstroom door pensionering en ziekteverzuim.

De tekorten verschillen sterk per regio en onderwijssoort. In de G5 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Almere) ligt het lerarentekort op 15,8%, tegenover 6,6% daarbuiten. Voor schoolleiders is het verschil eveneens groot: 14,4% in de G5 tegenover 9,0% daarbuiten. Het (voortgezet) speciaal onderwijs heeft met bovengemiddeld hoge tekorten te maken (8,4% tegenover 8,0% in het bo en 7,8% in het sbo).

Hoewel er in 2024 een lichte afname van het tekort was ten opzichte van 2023, laten arbeidsmarktramingen een zorgwekkend beeld zien.

Hoewel het personeelstekort de komende jaren licht afneemt, stijgt het tekort volgens de prognoses in de jaren erna naar bijna 6.000 fte in 2034. De vervangingsvraag blijft groter dan het aanbod. De verwachte groei van het aantal leerlingen in het (v)so vergroot de druk verder, omdat deze leerlingen meer begeleiding vragen en er dus extra leraren nodig zijn.

Onverminderd hoog en ongelijk verdeeld

Het tekort aan leraren en schoolleiders is niet overal even groot:

Arbeidsmarktregio’s met structureel hoge tekorten zijn onder andere Rijnmond, Flevoland en Groot-Amsterdam met in sommige regio’s meer dan 10% tekort. Opvallend blijft dat ook binnen deze regio’s er scholen zijn die (vrijwel) geen tekorten hebben;

Scholen met een hoge schoolweging (bijvoorbeeld in kwetsbare wijken) rapporteren hogere dan gemiddelde tekorten;

Volgens de ramingen blijven in provincies als Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland de tekorten als percentage van de werkgelegenheid tot 2034 relatief hoog (bijv. 7,1% in Noord-Holland in 2034), terwijl provincies als Limburg structureel lagere percentages kennen (4,4% in 2034). Dit komt ook door dat tekorten meebewegen met groei of krimp van het aantal leerlingen.

Betrekkingsomvang

Het aandeel personeelsleden dat (bijna) fulltime werkt (>0,8 fte) ligt stabiel rond de 45%. Het aandeel met kleine contracten (<0,5 fte) in het primair onderwijs daalt al jaren en lag in 2024 op bijna 16%, het aandeel middelgrote aanstellingen (0,5-0,8 fte) is de afgelopen jaren gestegen en ligt nu op 39%. Dit aandeel is hoger bij vrouwen en bij ondersteunend personeel.

 

Meer vaste contracten

Het aandeel vaste contracten in het primair onderwijs is de afgelopen twee jaar weer toegenomen. In 2024 had ruim 87% van het personeel een vaste aanstelling, tegenover 85% een jaar eerder. Daarmee zet een lichte stijging in die positief afsteekt bij de bredere trend in andere sectoren, waar het aandeel vaste contracten juist is gedaald.

Een deel van de toename hangt samen met het aflopen van tijdelijke NPO-contracten, waarvan een deel is omgezet in vaste dienstverbanden. Bij het direct onderwijsondersteunend personeel (zoals onderwijsassistenten) steeg het aandeel vaste contracten van 73% naar 78%, bij het indirect ondersteunend personeel (zoals kwaliteitszorg en ICT) van 86% naar 87%. Bij leraren ligt het aandeel vaste aanstellingen stabiel rond 89%.

 

Arbeidsvoorwaarden en beloning in het primair onderwijs

Onderwijsprofessionals in het primair onderwijs vallen onder de cao po. De meeste (startende) leraren zitten in schaal LB. Een leerkracht met twaalf jaar ervaring verdient bij een fulltime dienstverband €5.520 bruto per maand (per 1 november 2025), of circa €78.700 per jaar inclusief vakantiegeld, eindejaarsuitkering en toelagen.

De meeste schoolleiders vallen in schaal D12, met een maximum van €7.313 bruto per maand, wat inclusief vakantiegeld, eindejaarsuitkering en toeslagen neerkomt op ongeveer €106.300 per jaar. In het gespecialiseerd onderwijs zit het merendeel van de leraren in LC en de directeuren in D13; ook is er een grotere variatie aan onderwijsondersteunend personeel.

Actuele cao-informatie is te vinden op de website van de PO-Raad.  

Samen sterker in de regio

Schoolorganisaties, scholen, opleiders en onderwijsprofessionals werken in Onderwijsregio’s samen om te zorgen voor voldoende leraren, schoolleiders en onderwijsondersteunend personeel, die met plezier werken in het onderwijs en hun vak bijhouden.

De dekkingsgraad van de Onderwijsregio’s was op 31 maart 2025 bijna volledig voor het primair onderwijs. 836 schoolorganisaties nemen in 32 Onderwijsregio’s deel. Er zijn 3 regio’s bijgekomen sinds de laatste telling in 2024.

jassen op school

Balans tussen primair proces en overhead

Het personeel in loondienst is onderverdeeld in vier groepen: onderwijzend personeel en direct onderwijsondersteunend personeel zorgen voor het primaire proces. Het management en indirect ondersteunend personeel zorgen voor de randvoorwaarden die het onderwijs mogelijk maken. Het direct ondersteunend personeel is gestegen, zowel in aantal fte als in aandeel in het totale personeel. Ook het indirect ondersteunend personeel groeide flink. Na het einde van de NPO-periode daalde dit aandeel niet. Bij het onderwijzend personeel is er een daling. Dit komt vooral door een tekort aan leraren op de arbeidsmarkt wat gevolgen kan hebben voor de onderwijskwaliteit en werkdruk.

Overhead in het primair onderwijs bestaat uit indirect ondersteunende en managementfuncties. Hoewel deze mensen met deze functies niet (hoofdzakelijk) direct in de klas staan, zijn ze essentieel voor goed onderwijs. In 2024 ligt het totale overheadpercentage rond 10% (personeel in loondienst, exclusief inhuur en uitbesteed werk). Ongeveer de helft van de overhead betreft schoolleiders, een derde overige ondersteuning op school (zoals administratie en conciërges) en minder dan een vijfde bovenschools personeel (bijvoorbeeld salarisadministratie of kwaliteitszorg medewerkers op het bestuurskantoor). Het aandeel schoolleiders daalt licht, terwijl overige ondersteuning en de bovenschoolse overhead stijgen.

De PO-Raad en VO-raad hebben een benchmark overhead ontwikkeld: deze is beschikbaar sinds eind 2024 op schoolbesturenopdekaart.nl. Met de benchmark ondersteunen de PO-Raad en VO-raad schoolorganisaties bij het bepalen van de omvang en kwaliteit van ondersteuning.

Kleuter blij om op school te zijn

Leerlingen en onderwijs

Hoe speelt het primair onderwijs in op de behoeften van leerlingen en hun ontwikkeling?

Inclusieve schoolgebouwen in het primair onderwijs.

Schoolorganisaties

Wat zijn de trends, ontwikkelingen en professionalisering in de schoolorganisaties?

Potloden en geld

Bedrijfsvoering

Wat is de status van o.a de schoolgebouwen en de financiën in het primair onderwijs?